Reis zoeken

Soort reis
> Rondreis (148)
> Junior-reis (55)
> Fietsreis (13)
> Wandelreis (18)
> Themareis (13)
Regio
> Afrika (30)
> Azië (69)
> Europa (39)
> Midden- en Zuid-Amerika (35)
> Midden Oosten (43)
> Noord-Amerika en Oceanië (23)
Met oog voor
> Culinair (2)
> Cultuur (71)
> Eclipsreizen (3)
> Festivals (5)
> Korte reis (8)
> Natuur (52)
> Reizen door meerdere landen (18)
> Safarireizen (18)
> Stedentrip (4)
> Winterreizen (3)
> Woestijnreizen (3)
Reisduur
> 0-9 dagen (36)
> 10-15 dagen (56)
> 15-20 dagen (73)
> 20-25 dagen (90)
> 25 dagen of langer (26)
Vertrekperiode
> 2012 (234)
> Voorjaar 2012 (156)
> Zomer 2012 (196)
> Najaar 2012 (188)
> Winter 2012 (109)
> Februari 2012 (24)
> Maart 2012 (31)
> April 2012 (93)
> Mei 2012 (94)
> Juni 2012 (48)
> Juli 2012 (165)
> Augustus 2012 (88)
> September 2012 (133)
> Oktober 2012 (122)
> November 2012 (55)
> December 2012 (97)
> 2013 (181)
> Voorjaar 2013 (152)
> Zomer 2013 (2)
> Winter 2013 (98)
> Januari 2013 (44)
> Februari 2013 (69)
> Maart 2013 (52)
> April 2013 (108)
> Mei 2013 (79)
> Juni 2013 (2)
Prijs
> Tot € 1000 (9)
> Tot € 1500 (53)
> Tot € 2000 (110)
> Tot € 2500 (166)
> Tot € 3000 (205)

Een loep in de tijd

In februari 1991 reisde ik van Damascus naar Aleppo. In alle hotels die ik aandeed was ik de enige gast. De lobby's glansden en galmden. De liften hingen werkeloos. Het personeel stond in drommen, met de handen op de rug gevouwen, voor zich uit te staren achter de fruittorens en de broodbouwsels van een meterslang ontbijtbuffet.

Het was oorlog. Of beter gezegd: er was een pauze in de oorlog, de Golfoorlog, de eerste, de oorlog die pas een decennium later zou worden afgemaakt. Maar dat wisten we toen nog niet. De wereld wachtte met ingehouden adem op de beslissende fase van Operatie Desert Storm, de bevrijding van Koeweit, de slag om Bagdad. Ook toen zouden de Amerikanen dat wel even fiksen.
Geschiedenis wordt traag gemaakt en snel verteld. Oorlogen bestaan voor het grootste deel uit wachten. Ze zijn lang niet zo opwindend als in het tv-journaal. Wie stilte zoekt, en onverwachte ontmoetingen, doet er daarom goed aan de reisadviezen van zijn regering in omgekeerde richting te volgen. De aanbeveling om een land of streek zo spoedig mogelijk te verlaten, moet juist als een aanmoediging worden opgevat.
Veiligheid is een ander verhaal, daar heb ik het nu niet over. Maar op pad zijn in zo'n adempauze, in een plooi van de tijd, precies op het moment dat er een blad in het grote geschiedenisboek wordt omgeslagen terwijl niemand nog weet wat er op de volgende pagina geschreven staat - mij beviel dat goed.
Alleen van de marmeren eetzalen in die hoogmoderne Franse hotels werd ik behoorlijk zenuwachtig. Al die ogen die elke beweging van je kaken volgden en bij elk onverwacht handgebaar op je af dreigden te sprinten, daar kreeg ik haast van. Dan wilde ik zo snel mogelijk afrekenen en weg. In Aleppo liet ik mijn aanspraken op comfort varen.
Ik nam mijn intrek in Baron's Hotel.
Het hotel was ergens aan het eind van de negentiende eeuw gebouwd door twee Armeense broers en sindsdien was er niet veel meer aan gedaan. Hier naderde de kromme ober langzaam en krakend over het parket, zodat je je rustig op zijn komst kon voorbereiden. Hij zette gecraqueleerd porselein neer, voorzien van één stuk pitabrood en een klodder marmelade, op een tafelkleed dat wel kunstig versteld was maar daarna nooit meer gewassen.
De bar koesterde spiritualiën van merken die op andere plaatsen niet meer bestonden. In de rooksalon werd achter glas de rekening bewaard die Lawrence of Arabia er op een dag in 1912 had voldaan. Daarnaast lag een uitgave van zijn brieven, opengeslagen op de plaats waar hij het hotel vermeldt en splendid noemt. Er was een loep voor deze zinsnede opgehangen, aan een draadje dat bewegingloos in de van stof verzadigde stilte hing. Wanneer ik de trap opliep, passeerde ik een affiche dat verzekerde dat men met de Simplon-Orient-Taurus Express vanuit Londen vlug, veilig en voordelig in zeven dagen Bagdad bereikt.
De eerste avond werd er bij mijn passeren een deur op een kier geopend. 's Nachts kwam ik op de gang een vrouw met een bleek, gezwollen gezicht tegen en niet veel later een magere man met een puntige bontmuts op zijn hoofd.
Hij keek mij aan en vroeg of ik ook Armeniër was. Na mijn ontkennende antwoord knikte hij somber en verdween zonder iets te zeggen naar zijn kamer.
's Middags rook ik vreemde geuren op de overloop.
Ze kookten hun eigen maaltijd. Wachtten ze hier op iemand? En hoe lang al? Na die eerste keer zou ik ze niet meer zien. Andere gasten waren er niet.
Maar in Baron's Hotel was dat op de een of andere manier niet meer bezwaarlijk. De tijd leek er dikker en morgen altijd heel ver weg. Mijn badkamer was er zo groot als een bruidssuite elders en voorzien van een stelsel van buizen en knoppen dat op onverwachte momenten zichzelf in beweging zette, sproeide, gorgelde, drupte en spoot als de darmen van een bejaarde die te gulzig was geweest. Wanneer ik in bed lag en aan niets probeerde te denken terwijl het sanitair zijn zachte muziek voortbracht, leek het of de enorme klerenkast aan mijn voeteneind steeds dreigender tegen het behang afstak en met al zijn deuren, laden en ornamenten aanstalten maakte om over mij heen te vallen. Zou generaal De Gaulle er lang geleden zijn kepi in hebben gehangen? Met mijn gedachten hield ik het gevaarte tegen. Of had diezelfde kast de japonnen van een andere beroemde gast, Agatha Christie, ooit omsloten? Nu ik erover nadacht: af en toe leek het wel of de mollige schrijfster het bed niet meer had verlaten. De twee matrassen waarop ik lag, waren gevuld met vreemde zachte vormen en maakten golvende bewegingen, tegen elkaar in, zonder dat ik daar zelf aanleiding toe gaf. Mijn nachten waren onrustig en vol dromen.
Maar de dagen in Aleppo kropen voorbij. Langzaam ontdekte ik de stad. Ik verdwaalde in de souk. Ik at een van de beste maaltijden van mijn leven in de Armeense Club, gesticht door de vluchtelingen die na het bloedbad van 1916 uit Turkije waren gekomen. Op een ochtend liet ik me door een taxi naar de ruïnes brengen van de kerk van Simeon de Pilaarheilige, enkele tientallen kilometers buiten de stad.
Zesendertig jaar lang heeft de herderszoon daar op een zuil gezeten, die almaar hoger werd gemaakt. "Omdat het hem niet lukte om horizontaal aan de wereld te ontsnappen, zocht hij het in de hoogte", las ik in mijn gids. Natuurlijk faalde hij. Simeon werd een toeristische attractie en de ruïnes zijn het vijftien eeuwen later nog. Maar op deze dag in februari was er geen mens behalve ik.
De wind floot over de kale heuvels. De hemel was hoog.
Je had geen zuil nodig om dat te beseffen. De bevrijding van Koeweit was misschien dichtbij, maar kanonnen hoorde je nog niet.
Terug in het hotel vroeg ik om de rekening. Maar de man die rekeningen schreef, had die dag vrijaf. Had ik niet gisteren weg kunnen gaan? Kon ik niet tot morgen blijven? Nee, zei ik resoluut. Ik wil nu weg.
Ik schrijf 'm zelf. En dat heb ik ook gedaan, met pen en papier, naar het voorbeeld van de nota die T.E. Lawrence had gekregen. Zelfs het bedrag heb ik uiteindelijk zelf bepaald. Het voelde alsof ik mijn leven weer stevig in de hand nam. Maar later heb ik wel eens gedacht: als ik dat niet had gedaan, als ik gewoon was gebleven, was dan die hele Golfoorlog misschien ook niet doorgegaan?

Hans Maarten van den Brink

H.M. van den Brink (1956) is schrijver en journalist. Hij schreef onder meer de romans 'Over het Water' en 'Hart van Glas', die in vele talen zijn vertaald. In het najaar van 2003 verschenen van zijn hand de roman 'Koningsdochter' en 'Reizigers bij een herberg', over eten in Spanje.