Naar Hasjam
Het
is een ritje van nog geen anderhalf uur naar de Dode Zee. Amman ligt zo
centraal in het Midden-Oosten, dat we vanochtend met een beetje goede
wil ook naar Damascus kunnen gaan, of als we snel zijn voor een paar
Jordaanse dinars een enkeltje naar Cairo kunnen kopen. Of Al-Quds,
Jeruzalem. Of naar Petra. Het is alsof je een bestemming uit
Duizend-en-een-nacht kiest.
Maar we doen het niet. De bestemmingen hangen als dikke druiven voor het grijpen in de lucht en ik weet zeker dat ik er straks eentje pluk. Maar nu nog even niet.
Iemand stelt voor om naar Hasjam te gaan. Hasjam is niet ver. Hasjam is
dichtbij. Het is de enige bezienswaardige plek in het Midden-Oosten op
loopafstand. Ik ga graag naar Hasjam. Ik zit samen met Floris, een paar
Palestijnse acteurs en een Saoedische onderneemster in een bar in
downtown Amman. Het is vier uur in de ochtend. We drinken bier. Gaan we
naar Hasjam? Ik wil wel naar Hasjam.
Bij Hasjam kun je vierentwintig uur per dag foul (verrukkelijke bonenpap), falafel en humus (gemalen kikkererwten) met frietjes eten. Hasjam bestaat uit twee gedeelten, die elk twaalf uur per dag open zijn. Iedereen kent het. Studenten en armelui, snelle jongens en stelletjes, iedereen gaat er naar toe. Sommige Jordaniërs hebben de gewoonte om zich te verzamelen in het parkje bij het Romeinse amfitheater en lopen dan in een stoet naar Hasjam. Vanaf ons café is het met de auto nog geen tien minuten. Misschien gaan we strakjes naar Hasjam. Nu nog even niet.
We hebben vanavond vrienden gemaakt.
Mijn metgezel Floris, fotograaf, en ik raken aan de praat met een Saoedische vrouw die een reisbureau heeft in Amman. Ze organiseert de jaarlijkse bedevaart naar Mekka. “Maar dan op VIP-niveau.” Voor mij zie ik een super-de-luxe vijfsterrenhotel met een zwembad waarin de aspirant-bedevaartgangers in Mekka in de verschroeiende hitte wat afkoelen.
Overmorgen gaan we weer terug naar Nederland. Het is nu te laat om naar Mekka te gaan. Ik wil nog wel naar Hasjam. Het is niet Petra, maar waarom zou je klein met groot vergelijken? Een heerlijk warm broodje verse foul of falafel eten en het bier wat laten zakken. Dat is het enige wat ik nu wil.
“Als we elkaar eerder hadden ontmoet, had ik jullie mee naar Petra genomen”, zegt de Saoedische. Ze vindt het de mooiste plek van het Midden-Oosten. Ik vind Hasjam ook een mooie plek. Het is er warm, ze hebben goed voedsel en geen sluitingstijd.
“Het is schitterend!” Ze bedoelt Petra. “De rode aarde, de honderden trappen die je moet beklimmen. Het uitzicht. Maar het is een lange rit. We moeten ons voorbereiden. De reis is niet een-twee-drie gedaan.”
“Jammer”, zeg ik, “een volgende keer misschien. Maar we kunnen nog altijd naar Hasjam!”
“Een volgende keer gaan we naar Petra, insjallah!” Ik knik en zeg ook insjallah. En nu op naar Hasjam. Wel of geen insjallah. Een goed alternatief. In Petra hebben ze vast niet de falafel en humus à la Hasjam. En bij Hasjam hoef je geen trappen te beklimmen.
“Maar als jullie morgen tijd hebben, dan zouden we naar de Dode Zee
kunnen gaan”, is het volgende idee van de Saoedische. Floris en ik
kijken elkaar aan. “Moeten we doen!” Wie dat het eerst zei, weet ik
niet.
Het wordt ochtend, maar niet in deze bar. Morgen moeten we inpakken. We vertrekken laat terug naar Nederland. De tijd is ons nadeel, ook omdat we nu vannacht niet geslapen hebben, maar vrienden aan het maken zijn in een bar die Negrone heet, zo genoemd naar de Romeinse cocktail. “Maar morgen kan ook niet”, zeg ik, “we vertrekken morgennacht.”
“En wat als jullie een paar uurtjes slapen?”
“Moeilijk”, zeg ik, “we zijn kapot.”
“Jammer”, zegt de Saoedische.
De tijd tikt verder in ons nadeel. Alleen bij Hasjam maakt het niet uit hoe laat je er komt. Het is altijd open. “Waarom gaan we niet nu naar de Dode Zee”, zeg ik plotseling, “het is nu nog vroeg, zodat we alle tijd hebben om daar uit te rusten.” En misschien kunnen we daarna naar Hasjam.
“Goed idee”, zegt Floris.
Opwinding en verwachting maken zich van ons meester.
De beste plannen zijn die, die plotseling uit de lucht vallen. Toen we naar Jordanië vlogen, bladerden we in het vliegtuig door de Lonely Planet om mogelijke uitstapjes te bekijken. We waren naar Amman gegaan om verslag te doen van het jaarlijkse theaterfestival, maar als het even kon zouden we ertussenuit glippen. Dat moment was gekomen. Niet naar Petra, maar een mens kon onmogelijk ontevreden zijn met een uitje naar de Dode Zee.
“Dan gaan we nu afrekenen en ons klaar maken voor vertrek”, zegt de
Saoedische en voordat we het weten, zitten we in een luxe Amerikaanse
benzineslurper die vlotjes Amman achter zich laat om de lange, diepe
afdaling in de kom richting de Dode Zee te maken. Ik voel me als een
bezoeker van de sauna die langzaam door de hete stoom wordt omringd.
Gelukkig hebben we binnen airco, maar als ik het raampje opendoe komt
de kurkdroge wind binnen.
Mijn oren raken verstopt. Hetzelfde gevoel als in een vliegtuig dat vlak voor de landing flink daalt.
Er zijn voor de Dode Zee twee controleposten.
We hebben geen papieren bij ons, maar de Saoedische heeft uitstekende communicatieve vaardigheden en die zet ze in bij de douanemensen.
De Dode Zee is ’s ochtends vroeg nog veel doodser.
Het stukje strand aan het water in het vakantieresort waar we voor een ochtend onze intrek hebben genomen, is geheel verlaten. We kleden ons snel om. Floris en ik smeren elkaar in met Dode Zee-klei die speciaal voor ons wordt gehaald. De slaap overvalt ons en ik dut heerlijk een half uur weg op het spiegelgladde oppervlak van de zoute watermassa. De groene klei wordt droog op onze huid.
De badgasten die nu pas naar het water komen, schrikken zich een hoedje. Ze denken dat we marsmannetjes zijn. “Schrik niet”, zeg ik, “we zijn gekomen om vrede te brengen.”
We spoelen samen met de klei ook de vermoeidheid en de bierlucht van het café weg.
“Nu zou ik alles kunnen doen”, zeg ik tegen Floris, “zelfs naar Petra.”
“Kan niet”, zegt Floris, “morgen weer terug naar huis.” We pakken onze spullen, gaan richting auto. Een laatste blik op de Dode Zee.
“Kunnen we nu naar Hasjam?”, vraag ik.
Abdelkader Benali
Abdelkader Benali (1975) is auteur van ‘Bruiloft aan Zee’ (1996), ‘De Langverwachte’ (2002), de novelle ‘De avonturen van de Argentijn’ en de bekroonde theatermonoloog ‘Yasser’.
Maar we doen het niet. De bestemmingen hangen als dikke druiven voor het grijpen in de lucht en ik weet zeker dat ik er straks eentje pluk. Maar nu nog even niet.
Bij Hasjam kun je vierentwintig uur per dag foul (verrukkelijke bonenpap), falafel en humus (gemalen kikkererwten) met frietjes eten. Hasjam bestaat uit twee gedeelten, die elk twaalf uur per dag open zijn. Iedereen kent het. Studenten en armelui, snelle jongens en stelletjes, iedereen gaat er naar toe. Sommige Jordaniërs hebben de gewoonte om zich te verzamelen in het parkje bij het Romeinse amfitheater en lopen dan in een stoet naar Hasjam. Vanaf ons café is het met de auto nog geen tien minuten. Misschien gaan we strakjes naar Hasjam. Nu nog even niet.
We hebben vanavond vrienden gemaakt.
Mijn metgezel Floris, fotograaf, en ik raken aan de praat met een Saoedische vrouw die een reisbureau heeft in Amman. Ze organiseert de jaarlijkse bedevaart naar Mekka. “Maar dan op VIP-niveau.” Voor mij zie ik een super-de-luxe vijfsterrenhotel met een zwembad waarin de aspirant-bedevaartgangers in Mekka in de verschroeiende hitte wat afkoelen.
Overmorgen gaan we weer terug naar Nederland. Het is nu te laat om naar Mekka te gaan. Ik wil nog wel naar Hasjam. Het is niet Petra, maar waarom zou je klein met groot vergelijken? Een heerlijk warm broodje verse foul of falafel eten en het bier wat laten zakken. Dat is het enige wat ik nu wil.
“Als we elkaar eerder hadden ontmoet, had ik jullie mee naar Petra genomen”, zegt de Saoedische. Ze vindt het de mooiste plek van het Midden-Oosten. Ik vind Hasjam ook een mooie plek. Het is er warm, ze hebben goed voedsel en geen sluitingstijd.
“Het is schitterend!” Ze bedoelt Petra. “De rode aarde, de honderden trappen die je moet beklimmen. Het uitzicht. Maar het is een lange rit. We moeten ons voorbereiden. De reis is niet een-twee-drie gedaan.”
“Jammer”, zeg ik, “een volgende keer misschien. Maar we kunnen nog altijd naar Hasjam!”
“Een volgende keer gaan we naar Petra, insjallah!” Ik knik en zeg ook insjallah. En nu op naar Hasjam. Wel of geen insjallah. Een goed alternatief. In Petra hebben ze vast niet de falafel en humus à la Hasjam. En bij Hasjam hoef je geen trappen te beklimmen.
Het wordt ochtend, maar niet in deze bar. Morgen moeten we inpakken. We vertrekken laat terug naar Nederland. De tijd is ons nadeel, ook omdat we nu vannacht niet geslapen hebben, maar vrienden aan het maken zijn in een bar die Negrone heet, zo genoemd naar de Romeinse cocktail. “Maar morgen kan ook niet”, zeg ik, “we vertrekken morgennacht.”
“En wat als jullie een paar uurtjes slapen?”
“Moeilijk”, zeg ik, “we zijn kapot.”
“Jammer”, zegt de Saoedische.
De tijd tikt verder in ons nadeel. Alleen bij Hasjam maakt het niet uit hoe laat je er komt. Het is altijd open. “Waarom gaan we niet nu naar de Dode Zee”, zeg ik plotseling, “het is nu nog vroeg, zodat we alle tijd hebben om daar uit te rusten.” En misschien kunnen we daarna naar Hasjam.
“Goed idee”, zegt Floris.
Opwinding en verwachting maken zich van ons meester.
De beste plannen zijn die, die plotseling uit de lucht vallen. Toen we naar Jordanië vlogen, bladerden we in het vliegtuig door de Lonely Planet om mogelijke uitstapjes te bekijken. We waren naar Amman gegaan om verslag te doen van het jaarlijkse theaterfestival, maar als het even kon zouden we ertussenuit glippen. Dat moment was gekomen. Niet naar Petra, maar een mens kon onmogelijk ontevreden zijn met een uitje naar de Dode Zee.
Mijn oren raken verstopt. Hetzelfde gevoel als in een vliegtuig dat vlak voor de landing flink daalt.
Er zijn voor de Dode Zee twee controleposten.
We hebben geen papieren bij ons, maar de Saoedische heeft uitstekende communicatieve vaardigheden en die zet ze in bij de douanemensen.
De Dode Zee is ’s ochtends vroeg nog veel doodser.
Het stukje strand aan het water in het vakantieresort waar we voor een ochtend onze intrek hebben genomen, is geheel verlaten. We kleden ons snel om. Floris en ik smeren elkaar in met Dode Zee-klei die speciaal voor ons wordt gehaald. De slaap overvalt ons en ik dut heerlijk een half uur weg op het spiegelgladde oppervlak van de zoute watermassa. De groene klei wordt droog op onze huid.
De badgasten die nu pas naar het water komen, schrikken zich een hoedje. Ze denken dat we marsmannetjes zijn. “Schrik niet”, zeg ik, “we zijn gekomen om vrede te brengen.”
We spoelen samen met de klei ook de vermoeidheid en de bierlucht van het café weg.
“Nu zou ik alles kunnen doen”, zeg ik tegen Floris, “zelfs naar Petra.”
“Kan niet”, zegt Floris, “morgen weer terug naar huis.” We pakken onze spullen, gaan richting auto. Een laatste blik op de Dode Zee.
“Kunnen we nu naar Hasjam?”, vraag ik.
Abdelkader Benali
Abdelkader Benali (1975) is auteur van ‘Bruiloft aan Zee’ (1996), ‘De Langverwachte’ (2002), de novelle ‘De avonturen van de Argentijn’ en de bekroonde theatermonoloog ‘Yasser’.




Tel: 09 223 00 69