Reis zoeken

Soort reis

Regio

Met oog voor

Reisduur

Vertrekperiode

Prijs

Brief uit Fadessa (door Ingmar Heytze)

Lieve allemaal,

De ansichtkaarten zijn onnozel vrolijk. Ik weet het. Het spijt me. Maar ik ben bang dat jullie het niet zullen begrijpen zonder een paar van die onmogelijk blije plaatjes van pittoreske steegjes, zonovergoten pleinen, het enorme houten astrolabium in de kathedraal van Cava Mater - het draait inderdaad helemaal vanzelf, ik weet niet hoe. Ik weet bijna niets. Vergeef me.

Alles hier is mooi en vreemd. Ik weet niet waar ik moet beginnen als ik er niks van kan laten zien. Het is als met Dante: als hij eindelijk in de hemel aankomt schieten woorden tekort. Ik zit alleen niet in de hemel, maar in wachtkamers. Ik hang aan loketten onder zoemende ventilatoren om formulieren in te vullen die ik zelden kan lezen en nooit begrijp. Ik schud vriendelijke mannen met baarden de hand, maar heb al snel geleerd dat er wel een bankbiljet tussen moet zitten om een steek verder te komen.

Ik weet ook niet waarom Frank zo nodig naar Fadessa moest. Het is een roteind vliegen, dan is er de busreis van veertien uur en daarna nog twee dagen met z’n allen in het ruim van een soort vrachtboot. Het laatste stuk doen ze met houten prauwen, omdat je daarmee ook de mangrovebossen door kan, naar het grote meer met de oevers van klei. Van de klei uit dat meer hebben ze Fadessa gebouwd - een enorme, versterkte stad vol tempels, kloosters en paleizen, allemaal autonome heiligdommetjes achter de stenen muren met zeven hoge wachttorens, midden in de bush.

Het is alsof ze hier aan het eind van een decadente, antieke beschaving staan; overal zijn grote feesten, parades en waanzinnige diners. Je gelooft niet wat ze allemaal voor eetbaars uit de jungle halen. Wanneer je wat connecties hebt opgedaan, kun je arenagevechten op leven en dood zien. Als toerist hoef je niet veel te merken van de rivaliserende ordes, gilden en grote bendes, die als onzichtbare octopussen in het hele sociale leven zitten. Maar je voelt wel hoe het zit. Alles hier ademt macht, geld, corruptie en pure levensdrift. Frank had gelijk: het is de mooiste stad die ik ooit van mijn leven heb gezien. Een toerist kan hier makkelijk een heel leven zoekbrengen. Als je maar niets doet om iemand te laten zingen kun je hier misschien zelfs oud worden.

Ze noemen Fadessa niet voor niets de zangersstad. Iedereen zingt hier, en iedereen zingt prachtig. Je moet hierheen om het te horen. Ik zou het kunnen opnemen, maar dan hoor je alleen maar dat het mooi is, niet hoe verschrikkelijk prachtig het is. Omdat je er geen woord van verstaat, ben je ook niet bezig met de betekenis, alleen met de klank. Het is niet te omschrijven. Hier zijn is één doorlopende, diepe ontroering, alsof er de hele dag Gregoriaans voor je wordt gezongen - en dat is alleen nog maar de gewone spreektaal van alledag. Als ze echt voor je gaan zingen weet je helemaal niet wat je hoort - maar echt.

Achteraf hadden we kunnen weten dat onze Indiase tolk de taal niet echt spreekt, of in elk geval niet goed genoeg beheerst. Ik wist ook niks van een negatief reisadvies. Van Frank weet ik het niet. Hij kende meteen de weg hier. Het was alsof de stad al in zijn aderen zat voordat hij hier ooit een voet gezet had. Er zijn nachten geweest dat hij helemaal niet thuiskwam, of niet alleen. Ik bemoeide me er maar niet mee. Op de stadsplattegrond heb ik getekend waar we vaak zaten, in welke parken we wandelden, waar de kroeg staat waarvoor we nog waren gewaarschuwd, in welke steeg het is gebeurd. Op de ansicht van het hotel kun je zien welke kamer we hadden. Ik heb er een kruisje bij gezet.

Ik begrijp zo weinig van het Fassarj dat ik niet eens hoor waar het ene woord begint en het andere ophoudt. De melodie van de taal is zo belangrijk dat je het ook beter niet kunt proberen; dit is een stad vol levensgevaarlijke capo’s en de taal zit als een kogelvis zo vol met volstrekt dodelijke beledigingen, die voor een buitenstaander bijna net zo klinken als gewone conversatie. Wanneer je in Fadessa iets verkeerds zegt tegen de verkeerde persoon, wordt er nog diezelfde avond voor je gezongen. Het begint met een prachtige tenor, een halve straatlengte achter je. Daarna vallen drie anderen één voor één in, steeds dichterbij. Rennen heeft dan al geen zin meer. Ze jagen je op als wolven, tot je trillend in een donkere,  doodlopende steeg staat. Ze zingen een vierstemmige veroordeling, en op het crescendo stappen ze op je af en steken van alle kanten op je in, zodat niemand je doodsstrijd hoort.

Zo moet het met Frank zijn gegaan, die avond, in die kroeg. Hij was maar drie steegjes bij het hotel vandaan toen ze hem te pakken kregen. Ik moet het zingen in mijn slaap hebben gehoord - ik was teruggegaan naar het hotel. Er hing iets in de lucht dat me niet beviel. Misschien voelde ik het aankomen, ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik elke dag gelukkig wakker wordt van het zingen van de  torenwachten, en daarna meteen van mijn wolk donder als ik besef dat Frank dood is.

Het moeilijkste is, denk ik, dit: onze tolk wil nog steeds niet vertellen wat Frank precies tegen die man probeerde te zeggen. In welke volgorde deze brief, Frank en ik weer thuiskomen, weet ik niet; niemand schijnt te weten wanneer de volgende boot naar huis gaat.

Ingmar Heytze

Fadessa is een fictieve plaats, ontsproten aan de fantasie van de auteur.