Tussen Mekka en Jeruzalem
Duizenden mannen en vrouwen, gehuld in witte lakenachtige gewaden, verdringen zich rond de incheckbalies van het vliegveld van Amman. op de banken en vloeren ligt het vol met mensen in het wit die proberen te slapen. Het zijn pelgrims op weg naar Mekka, het centrum van de islamitische wereld.
Ook in Amman lopen veel pelgrims. De meesten van hen hebben hun dagelijkse kloffie nog aan. Een enkeling draagt al een naadloos laken, hetgeen wil zeggen dat hij aan de bedevaart begonnen is. Ze komen uit Syrië, Turkije, Iran en uit de islamitische staten van de voormalige Sovjet-Unie. Wie het vliegtuig niet kan betalen, blaast uit in Amman en pakt er de bus voor het laatste stukje. Dertig uur later bereikt hij zijn doel. Vroeger duurde de reis een half mensenleven. Of een heel, want voor velen was het een enkele reis. De tocht was lang en de omstandigheden waren moeilijk. Daarom trokken de pelgrims in grote groepen. In veel steden heb je plekken waar de pelgrims zich verzamelden voor de lange, vaak fatale voetmars.
Mekka is de heiligste plaats ter wereld, de scheiding tussen de gewone wereld en de wereld van God valt er bijna weg. God openbaarde er via aartsengel Gabriël de Koran aan profeet Mohammed. Bovendien staat er de Kaäba, met de zwarte steen, die waarschijnlijk een meteoriet is en dus ook uit de andere wereld afkomstig.
Mekka speelt niet alleen met de fantasie van de islamitische reiziger. Ook voor westerlingen ging er altijd een grote aantrekkingskracht van uit. De stad is voor niet-moslims verboden, en alleen daarom daagt hij al uit. Mijn reisdoel is bescheidener. Ik ga naar Petra, de oude stad die uit de rotsen is gebeiteld. Eigenlijk is dit mijn pelgrimsreis. Ik hoef geen paradijs te verdienen, ziekte te overwinnen of zelfs maar een belofte in te lossen, ik wil alleen maar een jeugddroom verwezenlijken: door die kloof wandelen en die tempel zien. Doen wat in fantasie zo moeilijk was: door de grote poster wandelen die boven mijn bed hing.
Onderweg stappen pelgrims op de bus die in de richting gaan van Ma’an, niet ver van de Saoedische grens. De man die net is ingestapt gaat vast ook naar Mekka. Hij zit voortdurend met zijn gebedsketting te spelen, tenminste, als hij niet naast de bus ligt te bidden tijdens een van de speciaal voor de Mekkagangers ingelaste bidstops. De meeste pelgrims zijn in het dagelijks leven niet zo devoot, maar de tocht naar Mekka maakt zelfs van de grootste godslasteraar tijdelijk een heilige.
In Petra loop ik dan eindelijk de kloof door naar de tempel van mijn poster en beklim vervolgens een lang pad naar een nog groter exemplaar, het klooster
genaamd. Daarachter ligt een hoge berg die uitzicht geeft op de wijde omgeving.
Op de top zitten al vijf mannen. De metalige klanken uit hun cassetterecorder
stuiteren van de rots. Ze gebaren me dat er nog plaats is is op de grote steen met aan drie kanten een ontzagwekkende diepte. “Nee, wij gaan niet naar Mekka”, antwoordt één van hen desgevraagd. “Wij zouden liever naar Jeruzalem gaan”, en hij wijst naar de horizon. De bergen voor ons zijn lager en gaan over in een vlakte.
Erachter begint weer een hoogvlakte. Daar ergens, iets meer naar het noorden, ligt Jeruzalem, na Mekka de heiligste plaats ter wereld. In die stad maakte Mohammed een tussenlanding toen hij op hemelreis ging. Zijn voetafdruk staat nog in een steen in de koepelmoskee op de Tempelberg. Na hem heeft niemand God meer gezien.
Verbeten kijkt het groepje naar het westen. “Fucking Jews”, zucht er één. Voor hem is het een uitgemaakte zaak dat er geen zes miljoen joden zijn vermoord in de Tweede Wereldoorlog: “Dat is een leugen, van de zionisten, om zielig te kunnen doen. Ze hebben heel Amerika in hun macht. Joden zijn zo rot dat ze alleen als rattengif kunnen dienen.” “Ben jij soms ook zo’n rotjood,” vraagt een van de mannen. Wat moet ik hierop zeggen? Ik kijk de diepte in. Opeens word ik bevangen door hoogtevrees. Ze zouden me makkelijk een duwtje kunnen geven. Ik zeg: “Jullie hebben een fobie. Jullie zouden ze moeten leren kennen.” Eén van hen legt zijn hand op mijn schouder: “Misschien heb je gelijk. Jullie joden kunnen okay zijn, maar zionisten zijn slecht. Dat is rattengif.”
Het wordt Arabieren ook wel moeilijk gemaakt om genuanceerd over joden en Israël te denken. Decennia lang zijn ze opgevoed met een antisemitisme waar hedendaagse Nazi’s nog wat van kunnen leren. Ondanks de vredesonderhandelingen
verandert dat niet in één dag.
Twee dagen later loop ik in de joodse wijk van Damascus. Het is er stil. Een oude man vlucht een steeg in. Ik volg hem en vraag: “Waar zijn de joden?” “Les Israéliens sont en vacance.” “Wanneer komen ze terug?” "Misschien morgen,
waarschijnlijk nooit.” Het leven is niet meer als vroeger, vertelt hij. Het wordt steeds stiller, het wordt steeds eenzamer. Van de vierduizend joden die twee jaar geleden in de wijk woonden, zijn er nog driehonderd over, schat hij, en ook die zullen over een paar maanden verdwenen zijn. “Ik ben oud, maar voor de jongeren is het beter om te vertrekken nu het eindelijk mag. Ik ben een pessimist: Morgen gaat het slecht, overmorgen nog slechter. Misschien moet ik ook maar gaan?” In zichzelf mompelend loopt hij door.
Vroeger woorden er veel joden in Arabische landen. In aparte wijken, met speciale beroepen, maar in vrede met hun moslimburen. Met de stichting van de staat Israël is dat wel veranderd. De integriteit van de dar el harb, het gebied van de islam en helemaal van het heilige Jeruzalem, was geschonden en moest daarom koste wat kost worden hersteld. Voor de joden in Arabische landen brak een nieuwe periode aan, waarin ze als vijfde colonne van Israël werden beschouwd. Dit bespoedigde hun vertrek naar het beloofde heilige land.
Tegenwoordig liggen de joodse wijken tussen Marokko en Baghdad er verlaten bij. Hier en daar hebben plattelanders er hun intrek genomen. De ramen zijn geblindeerd, de muren van de binnenplaatsen verhoogd, de speciale winkeltjes zijn verdwenen.
Wanneer ik terugkom uit Amman, lopen er opvallend veel schapen rond. Mannen trekken ze met zich mee en pick-ups voeren ze aan. De slagers maken overuren. Het is slachtfeest. Terwijl de pelgrims in Mekka als hoogtepunt van hun bedevaart een schaap slachten, doen de thuisblijvers dat ook. “Zo gedenken wij het offer dat Abraham moest brengen aan de almachtige God”, vertelt een man. “Abraham was bereid zijn zoon Izaak te offeren, en daarom nam God in al zijn goedheid genoegen met een schaap. Het gebeurde in het nu bezette Jeruzalem”, zegt hij, en spuugt op de grond.
Ook in Amman lopen veel pelgrims. De meesten van hen hebben hun dagelijkse kloffie nog aan. Een enkeling draagt al een naadloos laken, hetgeen wil zeggen dat hij aan de bedevaart begonnen is. Ze komen uit Syrië, Turkije, Iran en uit de islamitische staten van de voormalige Sovjet-Unie. Wie het vliegtuig niet kan betalen, blaast uit in Amman en pakt er de bus voor het laatste stukje. Dertig uur later bereikt hij zijn doel. Vroeger duurde de reis een half mensenleven. Of een heel, want voor velen was het een enkele reis. De tocht was lang en de omstandigheden waren moeilijk. Daarom trokken de pelgrims in grote groepen. In veel steden heb je plekken waar de pelgrims zich verzamelden voor de lange, vaak fatale voetmars.
Mekka is de heiligste plaats ter wereld, de scheiding tussen de gewone wereld en de wereld van God valt er bijna weg. God openbaarde er via aartsengel Gabriël de Koran aan profeet Mohammed. Bovendien staat er de Kaäba, met de zwarte steen, die waarschijnlijk een meteoriet is en dus ook uit de andere wereld afkomstig.
Mekka speelt niet alleen met de fantasie van de islamitische reiziger. Ook voor westerlingen ging er altijd een grote aantrekkingskracht van uit. De stad is voor niet-moslims verboden, en alleen daarom daagt hij al uit. Mijn reisdoel is bescheidener. Ik ga naar Petra, de oude stad die uit de rotsen is gebeiteld. Eigenlijk is dit mijn pelgrimsreis. Ik hoef geen paradijs te verdienen, ziekte te overwinnen of zelfs maar een belofte in te lossen, ik wil alleen maar een jeugddroom verwezenlijken: door die kloof wandelen en die tempel zien. Doen wat in fantasie zo moeilijk was: door de grote poster wandelen die boven mijn bed hing.
Onderweg stappen pelgrims op de bus die in de richting gaan van Ma’an, niet ver van de Saoedische grens. De man die net is ingestapt gaat vast ook naar Mekka. Hij zit voortdurend met zijn gebedsketting te spelen, tenminste, als hij niet naast de bus ligt te bidden tijdens een van de speciaal voor de Mekkagangers ingelaste bidstops. De meeste pelgrims zijn in het dagelijks leven niet zo devoot, maar de tocht naar Mekka maakt zelfs van de grootste godslasteraar tijdelijk een heilige.
In Petra loop ik dan eindelijk de kloof door naar de tempel van mijn poster en beklim vervolgens een lang pad naar een nog groter exemplaar, het klooster
genaamd. Daarachter ligt een hoge berg die uitzicht geeft op de wijde omgeving.
Op de top zitten al vijf mannen. De metalige klanken uit hun cassetterecorder
stuiteren van de rots. Ze gebaren me dat er nog plaats is is op de grote steen met aan drie kanten een ontzagwekkende diepte. “Nee, wij gaan niet naar Mekka”, antwoordt één van hen desgevraagd. “Wij zouden liever naar Jeruzalem gaan”, en hij wijst naar de horizon. De bergen voor ons zijn lager en gaan over in een vlakte.
Erachter begint weer een hoogvlakte. Daar ergens, iets meer naar het noorden, ligt Jeruzalem, na Mekka de heiligste plaats ter wereld. In die stad maakte Mohammed een tussenlanding toen hij op hemelreis ging. Zijn voetafdruk staat nog in een steen in de koepelmoskee op de Tempelberg. Na hem heeft niemand God meer gezien.
Verbeten kijkt het groepje naar het westen. “Fucking Jews”, zucht er één. Voor hem is het een uitgemaakte zaak dat er geen zes miljoen joden zijn vermoord in de Tweede Wereldoorlog: “Dat is een leugen, van de zionisten, om zielig te kunnen doen. Ze hebben heel Amerika in hun macht. Joden zijn zo rot dat ze alleen als rattengif kunnen dienen.” “Ben jij soms ook zo’n rotjood,” vraagt een van de mannen. Wat moet ik hierop zeggen? Ik kijk de diepte in. Opeens word ik bevangen door hoogtevrees. Ze zouden me makkelijk een duwtje kunnen geven. Ik zeg: “Jullie hebben een fobie. Jullie zouden ze moeten leren kennen.” Eén van hen legt zijn hand op mijn schouder: “Misschien heb je gelijk. Jullie joden kunnen okay zijn, maar zionisten zijn slecht. Dat is rattengif.”
Het wordt Arabieren ook wel moeilijk gemaakt om genuanceerd over joden en Israël te denken. Decennia lang zijn ze opgevoed met een antisemitisme waar hedendaagse Nazi’s nog wat van kunnen leren. Ondanks de vredesonderhandelingen
verandert dat niet in één dag.
Twee dagen later loop ik in de joodse wijk van Damascus. Het is er stil. Een oude man vlucht een steeg in. Ik volg hem en vraag: “Waar zijn de joden?” “Les Israéliens sont en vacance.” “Wanneer komen ze terug?” "Misschien morgen,
waarschijnlijk nooit.” Het leven is niet meer als vroeger, vertelt hij. Het wordt steeds stiller, het wordt steeds eenzamer. Van de vierduizend joden die twee jaar geleden in de wijk woonden, zijn er nog driehonderd over, schat hij, en ook die zullen over een paar maanden verdwenen zijn. “Ik ben oud, maar voor de jongeren is het beter om te vertrekken nu het eindelijk mag. Ik ben een pessimist: Morgen gaat het slecht, overmorgen nog slechter. Misschien moet ik ook maar gaan?” In zichzelf mompelend loopt hij door.
Vroeger woorden er veel joden in Arabische landen. In aparte wijken, met speciale beroepen, maar in vrede met hun moslimburen. Met de stichting van de staat Israël is dat wel veranderd. De integriteit van de dar el harb, het gebied van de islam en helemaal van het heilige Jeruzalem, was geschonden en moest daarom koste wat kost worden hersteld. Voor de joden in Arabische landen brak een nieuwe periode aan, waarin ze als vijfde colonne van Israël werden beschouwd. Dit bespoedigde hun vertrek naar het beloofde heilige land.
Tegenwoordig liggen de joodse wijken tussen Marokko en Baghdad er verlaten bij. Hier en daar hebben plattelanders er hun intrek genomen. De ramen zijn geblindeerd, de muren van de binnenplaatsen verhoogd, de speciale winkeltjes zijn verdwenen.
Wanneer ik terugkom uit Amman, lopen er opvallend veel schapen rond. Mannen trekken ze met zich mee en pick-ups voeren ze aan. De slagers maken overuren. Het is slachtfeest. Terwijl de pelgrims in Mekka als hoogtepunt van hun bedevaart een schaap slachten, doen de thuisblijvers dat ook. “Zo gedenken wij het offer dat Abraham moest brengen aan de almachtige God”, vertelt een man. “Abraham was bereid zijn zoon Izaak te offeren, en daarom nam God in al zijn goedheid genoegen met een schaap. Het gebeurde in het nu bezette Jeruzalem”, zegt hij, en spuugt op de grond.




Volg ons op:
Tel: 09 223 00 69