Overzicht Spanje rondreizen van Djoser

Spaanse herinneringen (een reisverhaal door Cees Nootenboom)

Spaanse herinneringen - vreemdeling in Córdoba

Córdoba is de vreemdste stad van Spanje, Spaanser dan alle andere, geheimzinnig en ouderwets, koel en wit, een stad die veel verbergt en fluistert.

Langzaam, zonder haast is de aluminium trein door het Andalusische landschap gestroomd: een traag, blinkend riviertje tussen wijde, zwaaiende banen van droog en bruin bergland. Het is al nacht als we in Córdoba aankomen. Een krakende taxi van voor de burgeroorlog brengt me naar mijn hotel. Het is hoog, koel en wit, vanbinnen en vanbuiten. In de hal staan de grootste stoelen ter wereld bij een zacht brandend houtvuur. Een verdwaalde oude man bladert in de "Córdobaanse Boodschapper" - de overige beschikbare lectuur bestaat uit Spaanse wetboeken uit de vorige eeuw. Op straat is het zwoel, halfdonker. Ik wandel tussen het gemurmel van de menigte die over de trottoirs heen en weer trekt als een vlucht vogels, en snuif de dreigende, zoete geuren op van de sinasappelbloesems. De huizen zijn wit, en er springt wit licht van af: het is de maan die het pleister heeft aangestoken. Op goed geluk loop ik de straten in en uit. Dit is de vreemdste stad van Spanje, Spaanser dan alle andere, geheimzinnig en ouderwets, koel en wit, een stad die veel verbergt en fluistert.

De straten draaien en draaien: achter tralies zie ik patio's met palmen en ficussen, daar brandt geel licht en stemmen van mensen praten en lachen. Ik loop en ik loop. Een terras met schommelstoelen waar drie meisjes in het wit en hun moeder in het zwart tegen elkaar inschommelen, waaierend met hun waaiers. Een plein met een dode, hangende Christus tussen kronkelende lampen die hem wreed verlichten: het hele plein schreeuwt en elke zeldzame voorbijganger tikt een klok met zijn stappen. Later is er het centrum, een groot vrolijk plein met terrassen waar oude blauwe autobussen landen, op weg naar onbekende, nog nooit ontdekte gebieden. De rand van de stad is niet ver. Ik ga langs de rivier, die ik hoor bewegen tegen zijn oevers, een lang gesprek.
In de verte beschrijft het maanlicht zorgvuldig de boedel van de Sierra Morena: zo hoog is de top, zo flauw verloopt die helling, de Sierra is een zware verliefde ketting om de hals van de stad gelegd. In die bergen vertelsels van boeren en bomen, Moorse prinsessen, riddergeesten, geheimen boven lage vuren gebrouwen, de stedelingen zullen het nooit weten.
Bij de grote brug vlak bij de moskee, is het water wilder, het wordt door smalle openingen geperst en ik zie het springen en schuimen. Een paar mensen staan, zoals ik, over de leuning van de brug gebogen en kijken naar dat kolken alsof er iets in te lezen staat, maar wat het ook is, niemand begrijpt het, en het water stoot en springt verder.

Ik laat me drijven, de eindeloze straatjes door met hun namen - Benavente Pedrogos, Angel Saavedra, de graaf van Gondomar - langs kleine gele cafeetjes waar je niet naar binnen gaat omdat je de honderdjarige rust zou verstoren, een overdadige tuin in waar meisjes arm in arm lopen tussen de bloemengeuren, gevolgd door hitsige, op liefde zinnende soldaten, maar daar komt niets van.

Mijn bed en ik moeten even aan elkaar wennen, maar als de ochtend met veel licht en lawaai door het raam naar binnen klimt heb ik goed geslapen. Het eerst wil ik naar de rivier. Ik heb nu ook mijn reisgids bij me, een kletsmeier die me elke deur binnen wil hebben, kapellen, kerken, huizen, musea, vreemde gebouwen. Ik laat hem praten en zoek de Guadalquivir, koning der rivieren. Breed en bruin is hij, en zo komt hij aanzetten uit de bergen, likt hooghartig langs de stad en stroomt verder het landschap in dat van hem is, overal bruine grond wegetend zodra de bomen met blote natte wortels in de oever hangen en zwarte krassen maken in het water.

Uit esthetische en archeologische hoffelijkheid, zegt mijn reisgids, moet ik nu eerst de moskee bezoeken. Onderweg is er dan nog de kerk van San Salvador met zijn rijke churrigueresque retablo en ook het portico van de Colegiata de Sancta Victoria, de trappen van het vroegere college van de jezuïten (een frappant voorbeeld van de rijke Andalusische barokstijl), maar ik laat me niet vangen. Elke oude stad is een duizendvoudige muizenval; overal ligt de kaas en het vette spek voor het grijpen, donkere deuren gaan open, je staart voor een ogenblik naar een trap, een leuning, de voet van een beeld, een zwaard, een kroon, een schilderij, een doodskist met een koning erin en het is toch allemaal te zwaar om mee te nemen.
De moskee. Ik ga op goed geluk een poort binnen en kom op een heerlijke binnenplaats met sinasappelbomen en palmen. "Kijk," fluistert verbeten de reisgids, "hoe mooi deze patio is, en toch tegelijk zo simpel. Deze magische charme is van de natuur zelf, zonder kunstmiddelen. Dit is een tuin waarvan water en licht, steen en schaduw de unieke elementen zijn. De rustige pracht van zulk een hoek is in volledige harmonie met de dorische eenvoud van de kalifale kunst, met de Latijns-Córdobaanse traditie, met het karakter van het volk."

Zo is het. Ik hang mijn reisgids aan de palmen en betreed, na betaling, de kathedraal, de moskee. Het is er heel stil, een koel, oneindig betoverend stenen bos. Overal om me heen staan de zuilen, als palmen hun bogen uitwaaierend. Buiten de moskee zingen de vogels, maar het is alsof ze binnen zijn. Ik loop rond en draai, en nergens houdt het op, dit toverbos. De andere wandelaars vervliegen en ik ben er alleen. Wonderlijke poorten lokken aan alle kanten, de stenen bodem ligt vol helle geometrische lichtplekken, alleen het hart van het bos is bedorven: daar zijn de bomen gekapt en hebben wilde christenen hun kathedraal gebouwd, een enclave vol barok, die hier hatelijk aandoet.

De betovering is verbroken. Nog even blijf ik dwalen en kijken, naar boven, maar het is weg. Waar het op zijn mooist geweest moet zijn, is een gat gebrand en een tempel opgericht, en als de moslims niet terugkomen zal het wel altijd zo blijven.

Waar nu heen? Het museum voor declamatie en zangkunst? Nee. Naar de Medina Azahara? Nee. Naar het stierenvechtersmuseum? Ja, ja, ja.

Vreemdeling die naar Córdoba trekt, vergeet nooit het Museo Municipal Taurino, met het portret van Rafael Molina de Sanchez die in het jaar 1900 in zijn bed stierf na een bloedig leven waarin hij 4867 stieren doodde. Lagartijo werd hij genoemd. Eerbiedig wandelen Spanjaarden hier rond, staan met peinzende ogen stil bij het geel stenen beeld van een liggende Manolete, bij de huid, de staart, de oren van de stier die hij velde en die hem velde, bij zijn zwaard en zijn capa, en bij zijn met bloed bevlekte hemd. Stierenvechters sterven vaker dan je denkt: er hangt ook een film in vergeelde foto's uit 1914. De arena is witheet. De torero lokt-steekt, de stier staat nog een keer op en doorsteekt hem met zijn rechterhoorn, en daar ligt de matador in het witte fotozand, met bloed bevlekt, en een foto later al op zijn doodsbed, omringd door ernstig kijkende omstanders.

Ook de stieren worden niet vergeten. Zoals in de kastelen van onze baronnen de herten en wilde zwijnen je vanuit hun dood aankijken, zo komen hier enorme stierenkoppen door de muur heen, zo echt, dat het is alsof de gezwollen rest van hun lichaam zich in de andere zaal bevindt. De grootste van allemaal heeft hoorns als kromzwaarden, waarmee hij, nadat hij zevenentwintig keer door de ijzeren lansen van de picadores afgemat en getreiterd was, veertien paarden slachtte voor hij zelf zijn ontzaglijke hoofd neerlegde.

De suppoost wil niet weggaan voor ik hem zijn deel gegeven heb, daarna kan ik op mijn gemak de lange muren vol portretten en documenten bekijken. Jasjes, broeken en schoenen van stierenvechters. Nagemaakte stierenvechters van hout. Oren en staarten. Programma's uit 1780: met toestemming van de Koning Onze Heer … Slagerscontracten uit 1691, hoeveel reales hij zou krijgen voor hoeveel ponden stier. Portretten van weldoorvoede stieren in weilanden, brieven van stieren, hoorns van stierenvechters, staarten van suppoosten, affiches met beroemde en vergeten namen van ooit en toen.

Het is heet, 's middags in Córdoba. Een oude dame met mantilla ligt achterover in haar Mercedes, bleke hand in de lus, de chauffeur draait haar kunstig onder haar wapen de poort in, dag mevrouw. In de tuinen van de Hertog van Rivas zitten de broeierige soldaten mompelend onder een groep bomen waaronder blauw-witte dienstmeisjes uit 1900 koel over hun deftige kinderen waken. Officieren met sabel en rijzweep wandelen over het hoofdpad, oude mannen spelen lotto onder een parasol van schaduw, en ik ga zitten, koetsen, paardenhoeven, waaiers, waar blijft de tijd?

25 juni 1962


(biografie)
Cees Nooteboom is een van de meest bereisde schrijvers van Nederland. Voor "De omweg naar Santiago" ontving hij de Spaanse prijs "de Compostelana". Zijn roman "Allerzielen" werd afgelopen jaar in twaalf landen uitgegeven, waaronder Amerika en Brazilië.Binnenkort verschijnt "Nootebooms Hotel" met verhalen en herinneringen. Afgelopen najaar verscheen in Duitsland een nieuwe bundel poëzie.