In de sporen van de Inca’s in de Heilige Vallei

In de sporen van de Inca’s in de Heilige Vallei

Voor veel reizigers is de Heilige Vallei een snelle stop op weg naar de grootste toeristische trekpleister van het continent – we hebben het natuurlijk over Machu Picchu. Dat is jammer, want ook de rest van de vallei ligt vól met archeologische vindplaatsen van de Inca’s. Tel daar de kleurrijke dorpen bij op, en je ziet waarom de Heilige Vallei een bestemming op zich is.

Door Ynske Boersma

Aan de Inca’s worden vaak mystieke krachten toegedicht. Hoe slaagden ze er anders in om zulke ingenieuze steden te bouwen op haast onmogelijke plekken, duizenden meters hoog in de Andes? Maar als ik naar Aurelia kijk, dan begin ik een idee te krijgen. Terwijl we de berg op zwoegen, happend naar de hier zo ijle lucht, trippelt de 57-jarige Aurelia voor ons uit, met aan haar blote voeten slechts een paar versleten sandalen.

‘Ash, ash’, drijft ze haar ezel voort, op weg naar haar stukje land hoog in de bergen. Haar enige brandstof is een volle zak cocabladeren die ze om de zoveel tijd uit haar roze geweven omslagdoek haalt en een dikke pluk bladeren in haar wang stopt.

PisacIn de vroege ochtend zijn we vertrokken uit Cusco, ooit de ‘navel van de wereld’ van de Inca’s en nu een kosmopolitische stad gebouwd op de ruïnes van dezelfde Inca’s. De Heilige Vallei, gelegen bij Cusco, was het kloppend hart van het rijk van de Inca’s, die met ingenieuze landbouwmethoden hun voedsel verbouwden tegen de steile hellingen van de Andes. Anders dan in Cusco is het leven hier weinig veranderd sinds de komst van de Spanjaarden. Zoals in Pisac, waar we Aurelia ontmoeten. Ze spreekt – op wat gebrekkig Spaans na – alleen Quechua, de lingua franca van de Inca’s. Haar tienkoppige gezin leeft van wat ze op de door de Inca’s aangelegde terrassen verbouwen. Het is alsof de tijd heeft stilgestaan, en dat maakt de Heilige Vallei zo bijzonder.

Gatenkaas

Pisac is onze eerste stop op de route door de vallei. Het Incacomplex, gebouwd op een 3.500 meter hoge bergkam, is een volmaakt voorbeeld van het stedenbouwkundig vernuft van de Inca’s. Waarschijnlijk diende de stad als de zuidelijke toegang tot de Heilige Vallei, een knooppunt tussen Cusco en de jungle. Bovenop torent de versterkte stad, uitkijkend over de Heilige Vallei. Vijanden konden zo dus van mijlenver al gespot worden.

De berghellingen rondom de stad zijn bedekt met perfect horizontale terrassen voor landbouw, elk afgebakend met een stenen muurtje. Die muurtjes houden de
warmte van de zon langer vast, legt onze gids uit. Zo worden een soort van natuurlijke kassen gecreëerd. Handig, want ’s nachts koelt het fors af op deze hoogte.

Daarbij bouwden ze tempels en andere religieuze structuren, en astronomische observatoria. Even bijzonder is de begraafsplaats in de bergwand tegenover de vestingstad. In wat nog het meeste lijkt op een gatenkaas, liggen enkele duizenden graven in holtes in de rotswand. De Inca’s begroeven hun doden met al hun bezittingen. Naar het waarom van dat alles is het overigens gissen, want een schrift hadden de Inca’s dan weer niet. De beste manier om hun beschaving te ontdekken is dan ook door de ruïnes te verkennen en je fantasie de vrije loop te laten.

Ook de wandelpaden door de vallei, te herkennen aan de lage stenen muurtjes aan weerszijden, nemen je mee in de sporen van de Inca’s. Zo’n vier miljoen kilometer aan Incapaden bestaan er in het voormalige imperium, dat zich uitstrekte van Chili tot in Colombia. Want de Inca’s bouwden niet alleen geweldige steden, ze legden ook een slim systeem van met elkaar verbonden wegen aan. Zo konden hun rennende boodschappenjongens, chasquis genoemd, in een dag tijd een portie verse zeevis in Cusco bezorgen. Ik krijg al ademnood als ik eraan denk.

Maar hun wachttorens met panoramisch uitzicht ten spijt, uiteindelijk viel ook Pisac ten prooi aan de Spaanse veroveraars. In de zestiende eeuw vernietigden ze het Incacomplex en bouwden vijfhonderd meter naar beneden een nieuwe nederzetting. Het koloniale dorp met de typische kinderkopstraatjes en witgekalkte huizen met pannendaken is nu een traditioneel Quechua-dorp, waar op zondag alle boeren in de wijde omtrek naar afdalen om hun zelf verbouwde groenten te verkopen, of te ruilen tegen andere waren.

Andere koloniale stadjes werden juist pal bovenop de platgegooide Inca-structuren gebouwd. Als een toonbeeld van macht, maar ook omdat de Spanjaarden die stevige aardbevingsbestendige fundamenten wel prettig vonden. Zoals in Chinchero, onze volgende bestemming in de Heilige Vallei. Het inheemse weversdorp ligt op een adembenemende 3.762 meter hoogte, omgeven door besneeuwde bergreuzen. Ook dit dorp werd onderworpen aan de conquistadores, wat resulteerde in een samengaan van de twee culturen. Zo gaan de bewoners op zondag naar de kerk – die bovenop de oude Inca tempel is gebouwd – en bewaren ze hun inheemse rituelen voor andere dagen.

Geniale stedenbouwers

Ook het onuitspreekbare Ollantaytambo behield zijn Incafundamenten. Hun irrigatiekanaaltjes stromen nog steeds door de (bijzonder mooie) keistraatjes van het dorp. Ollanta, zoals het dorp in de volksmond bekendstaat, herbergt een van de mooiste Incaruïnes van Peru. Veel toeristen slaan ze over: Ollanta is de laatste stop voordat ze de trein nemen naar Machu Picchu, en menigeen laat de het vestingstadje boven voor wat het is. Wie die moeite wel neemt, heeft het prachtige complex dus grotendeels voor zichzelf.

OllantaOllanta was vermoedelijk de noordelijke verdedigingspost van de Inca’s in de Heilige Vallei. En de moeilijkst te nemen horde voor de Spanjaarden, die hier aanvankelijk het onderspit delfden tegen de Inca’s in 1536. We beklimmen het steile pad naar de voormalige ‘koelkasten’ van de Inca’s, een rij stenen graanschuren die hoog op de zonloze kant van de berg zijn gebouwd. “Zo konden hun voorraden maandenlang worden bewaard,” verklaart onze gids. We kijken uit over de vallei, met aan de andere kant het imposante fort vanwaar Incakoning Manco Inca de Spaanse aanval wist af te schudden door enorme rotsblokken naar beneden te rollen, waarna hij vluchtte.

De klim is een goede voorbereiding voor de finale, kort na zonsopkomst de volgende dag. Na een kort ritje met de trein en een nacht in Aguas Calientes, beter bekend als ‘Machu Picchu Dorp,’ staan we dan eindelijk voor de muren van de Incastad. Machu Picchu was een van de weinige plekken die over het hoofd gezien werden door de Spanjaarden op hun rooftocht. Toch verlieten de Inca’s hun goed verstopte citadel, om onbekende redenen. Pas in 1911 zou Hiram Bingham de overwoekerde stad ontdekken.

We lopen het pad op, een hoek om, en zien dan de citadel liggen, gehuld in flarden ochtendmist. De stad is zo mooi dat het onwerkelijk lijkt, gebouwd op deze onmogelijke plek omringd door bergen en jungle, met zijn perfect in elkaar passende muren en trapsgewijze groene terrassen. Mystieke krachten? Wie weet. Geniale stedenbouwers? Dat zeker.